Skip to content

Onderweg

lange gedichten

zijn eindeloze reizen

langs wegen waar ik niet wil gaan.

 

Ergens in het veld staan 8 reeën

te grazen op afstand zodat ze

kunnen wijken

als je nadert

niet wetend dat jij verder reikt.

En dan staan er de gebouwen

en daken met ‘Jezus redt’

glanzend in de felle zon.

 

De wegen razen voort

en alles wat er staat, staat stil

en jij bent de passant

die nergens blijven wil

 

Op reizen staat geen maat:

Al dagen spreekt men over koffers

en handbagage

en wat wel

en niet

Terwijl niemand nog is vertrokken

maar wel geweest

en weer zal gaan.

 

Die ene ree een eind verderop

stond moederziel alleen

hoewel misschien daar in de struiken…

 

Een kerkgebouw met kerkhof

gaat over in industriële silo’s

duister verleden contrasteert met blinkend staal

 

Ik zit en wordt bewogen

bedenk het allemaal.

 

 

 

Reykjavik

Voor de huizen van de straat

in Reykjavik staat Odin.

De raven op zijn schouder

(of zijn het kraaien)

vormen vleugels om zijn hoofd.

Mijn zoon had nog gezien

dat ze het maakte

de jonge vrouw

ze vertelde over  IJsland

en knikte als ze

ja zei

en nog eens weer daarna

 

De jongen die model stond

Is ze nu alweer vergeten

zo ook Reykjavik

 

 

Ochtendritueel

(filmpje op facebook)

 

in de verte hoor je de klok

acht uur

werkdag vangt aan

riet buigt in de wind

het beeld draait van

rechts naar links

nog verder blijft de fantasie

uit het grauwe koude water

rijst het lichaam

van de oermoeder

 

de klok beiert over de klokslag

het land ligt onaangeroerd

onder grijze flarden

nieuwe grauwe dag

volumineuze welvingen

druipen over het gras

 

klanken sterven weg

vrouw schiet in omhulsels

badstof

 

aan de horizon

wordt het licht

 

*

 

 

 

 

Nog meer teruggevonden schrijfsels

Werkweek 2013

Er zijn mensen die sjokken
alsof hun laatste dag ten einde loopt
De moeizaamheid
De uitzichtloosheid
zich voortslepend tot het niet meer hoeft.

Zo’n man op dinsdag
tegen zessen
op het station van Zwolle
als een der laatsten in de rij
van reizigers
De werkdag ten einde
maar nog niet thuis.

De trein naar Leeuwarden 2013

Van Groningen tot Buitenpost
is de helft van de reis
De man die las
en naar buiten kijkt
is even ver van waar hij kwam
tot waar hij gaat.
De ogen in de duisternis
zien zichzelf weer
en komen niet tot rust

Na het afscheid 2013

De man droeg een midden grijs pak met een smal streepje
en een blauw overhemd waarin een klein buikje zich aftekende.
Hij had afscheid genomen.
In het bagagerek lagen een bos bloemen,
een witte grote tas, die bij het neerleggen naar een fles drank klonk
en nog een tasje van de Mitra met inhoud.
Daaroverheen had hij zijn overjas gedrapeerd.
Gedurende de reis hield hij zich bezig met zijn telefoon,
waarbij hij af en toe een klein zakwoordenboek raadpleegde.
Het was gezien het tijdstip mogelijk iemand die
van een bestuur afscheid had genomen
en op weg was naar huis.
Tussen zijn zitplaats en de mijne
rolde een leeg Fanta flesje heen en weer.

Eeuwige liefde 2015

Ik schrijf een zin
in de hoek van de kamer
zodat je
als je langskomt
en je voor het raam blijft staan
kunt lezen
wat ik je zeggen wil.

Ik schrijf een zin
op de muur
die je zien zal
in het voorbijgaan.

De zin die ik schrijf
om je te vertellen
blijf staan
ga voorbij
die zin
ga je lezen

Appel in kooitje 2013

Ik heb een appel aan de muur
in een klein houten kooitje.

Een groen-rode glanzende vrucht
in een getralied hokje met een slot.

Door de spijlen is ie goed te zien,
al valt onder de verkeerde hoek het steeltje weg.

Het moet zijn:
Er hangt bij mij een kooitje aan de muur
als behuizing voor een appel,
een Elstar of een Jonagold
‘k weet niet wat het mag wezen.

De appel verkleurd, verschrompeld, rot weg
En zal uiteindelijk verdwijnen.

Ik heb een kooitje aan de muur

Inspiratie 2014

Je moet er voor gaan zitten
de tijd nemen
wachten

En als het niet komt

langer wachten

Tot

En als het er is
nog langer wachten

tot het voorbij is
en je weer op kunt staan
om verder te gaan.

In een aantekeningenboekje gevonden

Opgeslagen (2014)

Er zijn er die nooit handgeschreven zijn geweest
gedichten, brieven, losse gedachten
niet neergeschreven op papier
niet vormgegeven
in een beeld van
letters, woorden
handgevormd

Vanuit het hoofd
geplaatst in nullen
en enen
Opgeslagen tekst
elektronisch in een geheugen verdwenen

Ochtendhumeur (2015)
Gedichten in de morgen
dat kan niet anders zijn
dan rijmgedrocht
van morgenstond
en zonnegloren
de dag vangt aan
en is terstond verloren
Ontbijt met worst
en sloten bocht
verbrandde mond
het kan me niet bekoren

Gekocht bij de Lidl in Dresden (2014)
Als je een idee opschrijft in een boekje
zoals dit (klein boekje, zwarte kaft)
dan lijkt het haast wel poëzie
maar blijft het slechts geschrijf
Ideeën zijn
dus wat men schrijft
in boekjes zoals deze
De gedichten die men leze

Een willekeurige dinsdagochtend (2015)
De stad heeft ’s morgens iets onbevangens,
iets poëtisch

de man die
loopt of hij de hele
dag nog de tijd heeft
om te komen waar
hij moet zijn

de degelijke stadsfiets
met twee rechthoekige fietstassen
in het portiek van
het rennershuis
waar achter het glas (in de schemering)
de racefietsen staan opgesteld

Een auto rijdt vol gas door rood

WO1 (2015)

Het leger trekt
naar het front
jonge jongens
gaan juichend op pad

De fanfare blaast
er achter aan
Tuba, trombone, trommels
En van onder een
grootgeklepte pet
schettert ook een klarinet.

Jaren later
strompelen de ledematen
met omfloerste trom
naar huis terug

de jongens werden mannen
en alles is verloren

Toch geen aanrijding met een persoon (2015)

Een vrouw in een blauwe jas staat te wachten voor het spoor.
De voorbijrazende trein weerspiegeld in haar zonneglazen.
Achter haar een klinkerweg naar het verleden
En aan de andere kant van het spoor nog zo’n weg.

Als de trein voorbij is,
Blijft ze wachten tot het rode knipperlicht gedoofd is.
Er kan immers nog een toekomst zijn.

Station Zwolle
(2015)

Een man komt de trein binnen.
In zijn ene hand een lange aluminium stok
met daarom gewikkeld iets wat een vlag of vaandel kan zijn.
Boven zijn hoofd steekt uit zijn rugzak
iets dat lijkt op een pikhouweel.
De vlag posteert hij in de hoek naast de ingang van de coupé.
Als hij zijn rugzak af wil doen,
komen er twee Afrikaanse vrouwen achter hem de coupé binnen.
Ze zijn volumineus in wijde gewaden en slepen
enkele tassen en een boodschappentrolley mee.
De oudste draagt een grijze winterjas,
de jongere heeft een wollen omslagdoek.
De man zoekt tussen twee lege banken ruimte om
zich van zijn rugzak te ontdoen.
De vrouwen zoeken plaats voor hun equipage.
Verlost van zijn rugzak biedt de man aan
de boodschappentrolley in het bagagerek te leggen.
Er rolt een flesje drinken uit.
De oudste zijgt neer.
De jongste pakt een rode handtas en verdwijnt.
De bergbeklimmer heeft plaatsgenomen en kijkt
over een half brilletje tevreden toe.
Als de trein vertrekt keert de jongere vrouw terug.

De wandelaar (2010)

Hij ging te voet
maar nergens heen
Zijn reisdoel was zijn huis
Op weg te zijn
een steeds verschuivend perspectief
in een eindeloze tijd
De droom van verder
en terug
Lege benen bewegen voort

De dag dat hij vertrekken zou
kwam sluipend dichterbij
Hij wist het niet
bewoog slechts nog
tot het einde van zijn tijd

De kring sloot
langzaam om hem heen
verdrietig om zijn lot
te gaan, maar steeds weer
nergens heen

vertrek (2006)

de dag dat je vertrekken zult
staat het dan eindelijk op je stoep
te laat
je koffers zijn gepakt
geluk
of wat je denkt dat het zal zijn
te wachten voor je deur

je lacht het toe
en wijst het af
het vertrek komt aan
en dus ga jij
vastbesloten als je bent

de deur valt achter je in het slot
de stoep is slechts een pas
de toekomst wacht vol ongeduld
en dat ongeduld ben jij

eerst kijk je niet om
omdat je sterk wilt zijn
geen twijfels en geen spijt
maar gaande weg…
ach nee, waarom
lonkt toch een vergezicht

je neemt jezelf aan de hand
keert zeker niet terug
geluk komt vast nog wel eens langs
als de deur achter je sluit

Een bijna 20-jaar oud verhaal over mijn beeldend werk

Poging tot het karakteriseren van werk, motieven en achtergronden van Erik Mol door hemzelf

Ik ben op de eerste plaats een tekenaar. Vanaf het moment dat ik een potlood vast kon houden, teken ik. Het materiaal wisselde wel eens, maar in essentie bleef ik altijd tekenen. De lijn is bepalend, of beter: de lijnen, nee; het gekras. Zoals een klein kind als eerste in het wilde weg krast, zo ligt het gekras aan de basis van mijn werk.( zelfs als ik schilder met verf is mijn beweging krasserig.) Het gekras krijgt echter richting; zoals het riet door de wind tot een gearceerd vlak gevormd wordt, zo kras ik mijn vlakken, mijn vormen.
En die vormen zijn in oorsprong organisch, menselijk. In de waarneming van mensen zoek ik naar vormen, die interessant zijn om weer te geven, die samen met andere vormen tot een geheel gemaakt kunnen worden. En dat alles wordt het liefst overgoten met kleur, waarbij de kleuren vormen accentueren of juist verdoezelen, in ieder geval associaties leggen en emoties weergeven.

Daarom ook tekende ik veel met pastel, oliepastel. Het is een materiaal dat een krachtige lijn mogelijk maakt, met ook nog eens een krachtige kleur. Oliepastel kan met behulp van terpentine o.i.d. gewassen worden, waardoor een schilderachtig effect ontstaat. De overstap naar olieverf is niet groot. Ook werk ik wel in acrylverf en in combinaties van materialen en technieken. Bij vlagen maak ik ook nog lino’s en sporadisch ets ik.
Ik ben geen autodidact, hoewel ik nooit op een kunstacademie zat, aangezien ik me niet alleen zelf gevormd heb. Ik heb de nodige cursussen gevolgd op teken- en schilderterrein en ik heb veel afgekeken bij grote kunstenaars. Belangrijk is het voor mijn ontwikkeling geweest, dat mijn vader schildert en mijn werk kritisch volgt en stimuleert.
De plek waar je geboren bent, wil ook nog wel eens een handje helpen. Doordat ik in 1955 in Amsterdam ben geboren en ouders heb die in kunst waren en zijn geïnteresseerd, kwam ik al als kind in aanraking met het werk van COBRA en andere expressionistische kunstenaars. Een bezoek aan het Stedelijk Museum was een geregeld uitje op zondag. Als middelbare scholier liep ik zelf de musea in Amsterdam af en in de vakanties elders. Verder werd er getekend, altijd en overal en toen ik na studieuze omzwervingen (theologie, sociale academie, sociologie) eindelijk doctorandus was, bleven van de collegeaantekeningen alleen die, met interessante tekeningen in de kantlijn bewaard, want eigenlijk wilde ik toch alleen maar tekenen.
Waarom ik niet naar een kunstacademie ging, is een gecompliceerd verhaal, of misschien ook geen verhaal. Soms zijn dingen die je doet zo vanzelfsprekend, dat je niet op het idee komt om er een opleiding voor te gaan volgen. Ook is er als puber de angst om afgewezen te worden en dan ook nog net op een terrein, waar je je lekker in voelt. Ook was ik indertijd [aan het eind van mijn middelbare schooltijd] naast het tekenen erg veel met taal bezig en zag ik ook wel wat in het schrijverschap. Ook speelde mee dat de verhalen over academies, die mij bereikten niet echt enthousiasmerend waren. Enerzijds hoorde je van de docentendominantie, waardoor je moeilijk tot eigen werk zou kunnen komen, anderzijds waarde begin jaren zeventig het democratiserings-spook door de academies met al het geouwehoer van dien. Vervolgens ontstond er een tendens, volgens mijn zegslieden, waarin het vooral belangrijk was effect te scoren, waarbij het daadwerkelijk kunnen tekenen eerder tegen je werkte, dan dat het een pre was. Ach en waarom zou ik? Ik kon immers leren, en tekenen en schilderen deed ik toch wel.
Vanaf mijn zestiende tot en met mijn tweeëntwintigste ging ik iedere zomer, het eerste jaar een week, daarna steeds drie weken naar zogenaamde schildersweken: zomercursussen voor liefhebbers met begeleiding van een aantal docenten. Er was geen vast programma, maar er was iedere dag wel een aanbod. Mijn vader ging daar al een aantal jaren heen en toen ik als zestienjarige van een mislukt vakantieavontuur eerder thuiskwam, mocht ik ook mee, op voorwaarde dat mijn vader niets van me zou merken. Ik kon mee heen en terug rijden en dat was het. Later ging ik zelf op de fiets en hoefde hij alleen nog mijn bagage mee te nemen.
Op die weken heb ik heel veel geleerd: niet alleen trekt zo’n zomercursus volk van allerlei slag aan, maar ook mensen met een enorme hoeveelheid ervaring op het terrein van de kunst. Er komen natuurlijk mensen op zulke cursussen af, die niets kunnen en het ook nooit zullen leren, maar er komen ook mensen, die diep in hun hart alleen maar met kunst bezig zouden willen zijn, maar door wat voor redenen dan ook in het dagelijks leven iets anders moeten doen: huisvrouw zijn of tandarts, of bouwvakker, of pianiste, of apotheker, of winkelier enz. Tijdens zo’n zomercursus leven ze helemaal op en werken ze zich kapot om als het ware in die ene week het oeuvre voor een heel jaar te schilderen. Hoewel mijn vader thuis in de huiskamer, waar de atelierezel stond, ook wel eens wat deed, maakte hij zijn belangrijkste werken in die paar weken in de zomer. Als hij vertrok naar de schildersweek had hij de ideeën voor de te maken schilderijen al in z’n hoofd zitten en hoefde hij ze alleen nog maar te schilderen en dat kon daar ook, want voor alles werd gezorgd wat eten en drinken aanging en er heerste een sfeer die geïnspireerd werken mogelijk maakte. Bij mijn vader zat het idee al in zijn hoofd, dwz de richting waarin hij het wou zoeken, maar nog geen uitgewerkt beeld, dat ontstond al werkend; maar zodra de eerste streep op het doek stond, was erg geen weg terug.

Ik ging zelf meestal blanco naar de schildersweken toe: ik liet het wel op me afkomen. Over het algemeen deed ik wel mee met de model- en portretsessies en volgde ik groepsuitleg over speciale technieken en onderwerpen. Soms deed ik mee, soms hoorde ik het alleen maar aan, om vervolgens iets voor mezelf te gaan doen. Docenten die ik genoten heb op de schildersweken waren o.a. Jos Teeken, Anton Hein, Ton Kraanen, Jan de Kort en Alja Cousin. Vooral bij de laatste twee heb ik veel opgestoken.

Op de schildersweken ben ik voor het eerst met oliepastel aan de gang geweest en wel op duplexkarton. Ik maakte in die tijd thuis zwart-wit composities met geometrische vormen, die ik verbond, waardoor er ook meer organische vormen ontstonden. Maar het waren vlakken: zwarte vlakken en witte vlakken. Met het oliepastel(uitgewassen met terpentine) kreeg ik meer gevarieerde vlakken. Ik maakte vormen tot vlakken en die kleurde ik in. Die vormen ontleende ik aan het landschap, wat logisch was, omdat veel van de mede-cursisten iedere dag weer de natuur in trokken om het landschap te vereeuwigen.
Naast het werk in vlakken, maakte ik indertijd pentekeningen: eindeloos in elkaar gefriemel van diverse mensen, dieren en voorwerpen onder invloed van het surrealisme. Dit zwart-wit werk was duidelijk puberaal en de komst van kleur markeerde ook een soort volwassenwording tijdens de schildersweken. Rond mijn twintigste gebruikte ik ook thuis kleur (verf en softpastel) naast de pentekening. Maar over het algemeen gebruikte ik slechts enkele kleuren; vaak slechts nuances van een kleur.
Het was in de tijd dat ik theologie studeerde. Ik illustreerde het hogeschoolblad en maakte pasteltekeningen rond mensenrechtthema’s. Ook schilderde ik wel, met het olieverfkistje, dat ik kreeg toen ik twaalf was, maar waar ik eigenlijk nooit veel mee gedaan had. Pas in Leeuwarden, waar ik naar toe gegaan was omdat daar een redelijke sociale academie scheen te zitten en Amsterdam me benauwde, begon ik weer te schilderen.
In Leeuwarden volgde ik ook een cursus etsen en deed ik aan fotografie. Uiteindelijk studeerde ik af aan de Leeuwarder dependance van de Universiteit van Groningen. Toen bleek dat het met de werkgelegenheid niet zo gunstig zat en ik ook niet de ambitie had om echt achter werk aan te gaan, ben ik wat tekenen betreft van voor af aan begonnen, maar nu met de bedoeling er echt wat van te maken. Tevens zou ik de zorg voor eventueel nageslacht op me nemen en deed ik het huishouden.
Mijn vrouw en ik kregen twee kinderen: een meisje in 1988 en een jongen in 1992.
Natuurlijk had ik in de loop der jaren allerlei technieken en onderwerpen bij de kop gehad, maar had ik me nog nooit er toe gezet om die technieken en onderwerpen dusdanig te doorgronden dat ik met recht een keuze voor of tegen kon maken. Meestal had ik ergens aan geroken: beviel de lucht, dan ging ik verder, zoniet dan hield ik onmiddellijk op. Ik verdiepte me nauwelijks in bijvoorbeeld landschap of stilleven en had een broertje dood aan alles wat leek op aquarel.
Vanaf ongeveer 1986 verplichtte ik mezelf om alle onderwerpen en technieken serieus te nemen en zo tot gemotiveerde keuzen te komen. Ik ging bij creativiteitscentrum de Blauwe Stoep (in Leeuwarden) op maandagmorgen een cursus volgen bij Anne Stoer. Zij bood van alles aan: de cursus was gericht op het ontwikkelen van de creativiteit en het kennismaken met een groot aantal technieken; van eitempera tot monotype, van potloodschets tot acrylschilderij. Thuis deed ik ijverig huiswerk en werkte ik voor mezelf. Deze cursus volgde ik een drietal jaar tot Anne zei dat het tijd werd dat ik naar exposeren toe moest gaan werken, oftewel dat ik een samenhangend aantal werken moest gaan maken, die te exposeren zouden zijn.
Inmiddels had ik het schilderen met acrylverf ontdekt als een prettige en bevredigende bezigheid. Ook had ik via Anne het zoeken van motieven op verschillende manieren leren kennen en omdat ik indertijd sterk geboeid was door mode- en glamourbladen vond ik ze daar: details van kleding op het lijf, draperieën, plooien e.d. Ik maakte ze in potlood en aquarel en in acryl op papier en later ook op board en spaanplaat.
Via een collega van mijn vrouw kwam ik in aanraking met iemand die in horecainstellingen tentoonstellingen organiseerde. Deze Ed van Dijk vond mijn werk aardig genoeg en dit had tot gevolg dat ik in
1990 voor het eerst exposeerde in de Klinze in Aldtsjerk in de doorgang naar het zwembad.
Eerder hingen een aantal van mijn werken in de praktijk van tandarts P.de Haan op de Nieuwstad in Leeuwarden, maar dat was voor mijn gevoel niet echt een expositie.
In ’90 veranderde ik ook van cursus bij de Blauwe Stoep, maar bleef ik, zoals ik al sinds ’88 deed, de open atelierochtenden bezoeken waarop een model aanwezig was. Dit modelatelier werd begeleid door Jaap Ket.
Op woensdagmiddag volgde ik bij Carla van der Heijde de cursus Acryl- en Olieverf, nadat ik op een tentoonstelling van haar werk bij de Kunstuitleen in Leeuwarden had gezien dat zij mij wel wat zou kunnen leren op schildergebied. Het was een zeer inspirerende cursus, voornamelijk dankzij de medecursisten, hoewel dat ook een verdienste van Carla was. Zij haalde dingen uit mensen, die er nauwelijks in leken te zitten. Zij stimuleerde om te doen wat je onbewust kon en stuurde zonodig ietsje bij, door ogenschijnlijk alleen gezellig aanwezig te zijn en zo terloops iets te zeggen. Maar voorwaarde was wel dat de cursisten van zichzelf iets mee wisten te brengen en dat was bij die woensdagmiddaggroep het geval.
Een later gevolgde avondcursus bood een ander publiek met een bedroevend resultaat: dat waren mensen die beziggehouden wilden worden, niet die bezig waren met het zich creatief uiten.
Een bezuiniging bij de Blauwe Stoep leidde ertoe dat ik op pakpapier ging werken. Voorheen was het namelijk zo, dat gebruikte materialen niet vergoed hoefden te worden. Door de van gemeentewegen opgelegde bezuinigingen moest o.a. voor de meeste papiersoorten betaald gaan worden, behalve voor pakpapier en aangezien dat zeker voor het snelle modelwerk prettig materiaal was en ik nooit veel financiële armslag had, werkte ik daar op. Een nadeel was dat de kwaliteit van het pakpapier nog wel eens wisselde en ook dat het pakpapier regelmatig niet in voorraad was.
Ik besloot om bij een verpakkingsmiddelengroothandel zelf een rol te kopen, waarna ik beschikte over ongeveer 10 kilometer papier. Omdat ik het toch had, ging ik er ook maar op schilderen met acrylverf, met een plezierig resultaat, want door de al aanwezige bruine ondergrond werden de vaak toch iets hardere acrylkleuren gedempt, terwijl het taaie papier zeer nat werk toeliet zonder groezelig te worden. Het beviel me wel, ook voor het modelwerk dat ik er al langer op deed. Een voordeel daarbij was ook de medium tint die het papier bezit waardoor enerzijds de hoge lichten en anderzijds de sterke schaduwpartijen voldoende zijn om een totaal neer te zetten.
In 1992 exposeerde ik acrylschilderijen op pakpapier in het Eurohotel in Leeuwarden. Qua thematiek borduurde ik voort op de vorige expositie alleen dan algemener: details van foto’s van meest vrouwen. De resultaten waren landschappelijk aandoende abstracte schilderijen, die een Belg die de tentoonstelling bezocht deed beweren dat het een nieuw hoofdstuk was in de geschiedenis van de lyrisch abstracte kunst. Het werk was inderdaad te omschrijven als verwant aan lyrisch abstracte kunst of welke andere verwante stroming uit het naoorlogse expressionisme dan ook.
Het werk was zondermeer expressief, vooral ook omdat de meeste schilderijen in zeer korte tijd ontstonden, als een explosie na een langduriger proces van opladen. Carla opende de tentoonstelling.
Inmiddels was ik met andere materialen aan de slag gegaan: muurpleister en afvalmateriaal beschilderd met acryl. Ik had behoefte aan meer reliëf in mijn werk. Ook ontstonden in die tijd enkele olieverfschilderijen, die met het paletmes waren vervaardigd. Dit werk exposeerde ik in het vroege voorjaar van 1993 in een hotel in Terhorne. Het werken naar model ging gewoon door, hoewel het modelatelier van de Blauwe Stoep voortgezet werd zonder begeleiding, maar met een vaste kern, met voldoende kennis en ervaring om elkaar te kunnen helpen en stimuleren.
Was het in eerste instantie vooral de modelstudie met traditionele materialen als houtskool en krijt, later gevolgd door inkt, na verloop van tijd kreeg ik de behoefte om ook kleur te gebruiken en om meer met het modelwerk te doen. Tegelijkertijd worstelde ik met de te vlakke acrylschilderingen, de niet geheel bevredigende resultaten van de materiewerkstukken en de behoefte aan meer lijn, meer tekening.
Bij het uitproberen om meer lijn in een acrylschildering te brengen, gebruikte ik een aantal oude oliepastelkrijtjes en omdat ik ze toch te voorschijn had gehaald, nam ik ze ook mee naar het driewekelijkse modelatelier. Ik had het oliepastel herontdekt en bij bezoek aan de winkel voor schildersbenodigdheden bleek dat het oliepastel een renaissance doormaakte: het hele gamma was doorgelicht en kleur en kwaliteit verbeterd. De verbetering van de kleur had tot gevolg voor mij, dat op het pakpapier een helder kleurbeeld kon blijven bestaan, wat met de oude krijtjes soms niet mogelijk was. Ik had dus een “nieuw” materiaal om mee te werken.
Ondertussen groeide ook een nieuwe aanpak van werken naar model. Bij Anne Stoer had ik ooit eens opgepikt dat je meerdere studies van een model door elkaar kon maken: dat scheelde papier en soms leidde het tot bruikbare vormen. Dat laatste was een interessant gegeven en ik had ook eens meerdere studies door elkaar gemaakt, hetgeen in een rommeltje resulteerde. Het idee was niet slecht en ik pakte het daarom opnieuw op.
Het bleek nodig te zijn om niet willekeurig standen over elkaar heen te tekenen, maar alleen die standen te gebruiken, die bij konden dragen aan een bevredigend totaalbeeld. Het was steeds weer zoeken naar vormen, die een bijdrage aan een totale compositie konden leveren. Tijdens het modelatelier maakte ik een aantal, ik zou haast zeggen: modelcollages, die ik thuis verder uitwerkte.
Sommige collages verwerkte ik tot schilderijen in olieverf, maar daar in ging de spontaniteit veelal verloren. Een probleem met de oliepastel tekeningen was de presentatie. Achter glas blijft er van kleurrijk werk weinig over, maar het krijt behoeft wel een afwerklaag. Een bus parketlak op spiritusbasis die ik nog had staan, bracht de oplossing, waarna het mogelijk was om het werk te exposeren, wat voor het eerst gebeurde in het café van Theater Romein in de zomer van 1994 en in het najaar van ’94 in de hal van de Lawei in Drachten.
Na iedere presentatie heb ik weer de behoefte om te experimenteren en nieuwe wegen te zoeken om me nog beter te uiten: want ieder werk is een emotionele uiting; het ontstaat intuïtief en ik ben er tevreden over als het werk in evenwicht is met mijn gevoel en daarmee met zichzelf in evenwicht. Ieder werk komt van binnen en is een verschijningsvorm van dat binnenste. Waar ik naar streef, is een verdere precisering: ik wil zo nauwkeurig mogelijk zijn in het me uiten.
Het is als het vastleggen van dromen: als je wakker wordt herinner je je soms een logisch verhaal, maar meestal zijn het, tenminste bij mij, series beelden, flarden verhalen. Het zijn indrukken over elkaar en door elkaar. Nooit zie je het totaal als een eenduidig beeld, zelfs niet in dat wat we de werkelijkheid noemen. Dat wat ik waarneem in droom en werkelijkheid, in beleving en gevoel wil ik vastleggen.
en waarom dat dan gebaseerd is op vrouwfiguren? Misschien is het een fase, misschien heeft het met de aloude worsteling van de man te maken, die los moet komen van de moeder, zich wil binden aan zijn vrouw en droomt van al die anderen.
Die driedeling leidde tot een serie van steeds drie vrouwen door elkaar in verschillende technieken.
Het opvallende daarbij is dat steeds een vrouwvorm op de voorgrond lijkt te staan, een tweede herkenbaar is na enig kijken en het naar de derde langer zoeken is.

Vanaf de zomer van 1994 is er sprake van grote productiviteit. Dit wordt mede veroorzaakt doordat ik na eind 1993 verhuisd te zijn, beschik over een ruimer atelier. Het pakpapier raakte op en omdat ik inmiddels begonnen was met het uitwerken van oliepastelschetsen met olieverf, was ik op zoek naar een zwaardere kwaliteit papier. Het papier werd 200 grams wit van Fabriano op rollen van 10 meter bij 1,5. Ik werkte op formaten van ca.100×75 en was na ongeveer twee maanden door een rol heen.
Ik schets in houtskool naar foto’s of modelstudies, vele door elkaar, poets de houtskool uit en vorm uit de restanten nieuwe schilderijen. Soms gebruik ik een onderlaag van gesso over de houtskoolschetsen, maar meestal werk ik rechtstreeks op papier met de verf. Vanuit de vaak oppervlakkige waarneming maakt de herinnering eigen beelden.
Als ik nadenk over een grotere lijn in mijn werk, dan zijn er een aantal zaken die opvallen. Afgezien van de geometrische periode in mijn pubertijd, ben ik altijd uitgegaan van het kijken. Lange tijd heb ik beweerd dat iedereen kan tekenen als hij maar goed kijkt. Nu denk ik dat het juist draait om het verbeelden van het kijken. Dat wat je ziet zijn talloze beelden, zelfs van hetzelfde onderwerp. Al die beelden leiden tot een totaal beeld. Ieder beeld is opgebouwd uit meerdere beeldjes. In ons hoofd ordenen we die beeldjes tot een logisch, voor ons begrijpbaar beeld.
Bij de acrylschilderijen die ik rond 1990 maakte, pakte ik een beeldje en blies dat op, kleurde het in tot een ander beeld. Nu pak ik meerdere beeldjes en kleur het tot een nieuw beeld. Dat is niet het logische beeld van het samenstelsel van de waarneming, maar een in zichzelf harmoniërend beeld, dat de kijker uitnodigt om eigen beelden te maken. Van begin November 1995 tot half Januari 1996 heb ik een aantal olieverfschilderijen geëxposeerd in de grote foyer van de Lawei in Drachten.
En dan vragen mensen zich wel eens af of ik werk verkoop. Soms, heel sporadisch. Ik hoef ook niet zo nodig. Belastingtechnisch is het voor mij pas interessant als ik veel verkoop, of heel weinig. Voorlopig houd ik het daarom nog maar op heel weinig, omdat ik nog niet de tijd neem om er echt achter aan te gaan, mede omdat ik er niet van hoef te leven.

Erik Mol, maart 1996